Wettelijke verhoging bij een rechtszaak wegens achterstallig loon: tot hoever mag de rechter de boete van 50% matigen?
Geen oordeel van de Hoge Raad, wél waardevolle lessen van de AG over de wettelijke verhoging bij te late betaling van het loon (ECLI:NL:PHR:2026:85)
In arbeidsrechtelijke procedures is het vaak de Hoge Raad, als hoogste rechter, die de grote lijnen uitzet. Maar soms blijft het stil aan de top. Dat gebeurde ook in deze zaak: het cassatieberoep werd zonder inhoudelijke motivering verworpen, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de “rechtseenheid of rechtsontwikkeling”. Toch betekent dat niet dat de zaak weinig te bieden heeft. De conclusie van het parket bij de Hoge Raad, de Advocaat‑Generaal (AG), die een adviserende stem heeft in belangrijke rechtszaken, bevat namelijk interessante observaties, met name over de matiging van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.
Een schijnbaar eenvoudige arbeidsrelatie: Samenwerkingsovereenkomst Uitbesteding van Werkzaamheden
De zaak begon met een medewerker die vijf en een halve maand beveiligingswerkzaamheden verrichtte voor een opdrachtgever. Toen de overeenkomst, getiteld “Samenwerkingsovereenkomst Uitbesteding van Werkzaamheden”, per direct werd opgezegd, ontstond discussie over de kwalificatie van de relatie.
De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een overeenkomst van opdracht en dus géén arbeidsovereenkomst. Het hof kwam tot het tegenovergestelde oordeel: er was wél sprake van een arbeidsovereenkomst. Daarmee kwamen ook de transitievergoeding, het achterstallige loon en de wettelijke verhoging in beeld.
Wettelijke verhoging is een civielrechtelijke boete
De wettelijke verhoging is een civielrechtelijke boete die kan oplopen tot 50% van de loonvordering en bedoeld is als prikkel voor werkgevers om het loon tijdig te betalen. In theorie een stevig middel, maar in de praktijk is het lastig te voorspellen of de rechter de verhoging daadwerkelijk zal toekennen. Juist daarom is de rechtspraak op dit punt zo waardevol.
Het hof matigt de boete van 50% naar nihil
In deze zaak besloot het hof de wettelijke verhoging volledig te matigen. Als reden werd gegeven dat de werknemer facturen had gestuurd, de werkgever had die steeds netjes betaald, verwerkt in de administratie en de btw afgedragen. Tijdens de looptijd van de overeenkomst was bovendien nooit geklaagd over wanbetaling. Volgens het hof was het onder deze omstandigheden onredelijk om achteraf, bij de beëindiging van de overeenkomst, alsnog een boete van 50% op te leggen over het achterstallig loon.
De AG: matigen mag, maar niet zonder grenzen
De AG benadrukt in haar conclusie dat de rechter de wettelijke verhoging ambtshalve mag matigen, maar wijst erop dat die bevoegdheid niet onbegrensd is. Een rechter mag zijn oordeel niet baseren op feiten die niet door partijen zijn aangevoerd of anderszins uit het dossier blijken. In deze zaak bood dat argument echter geen soelaas. De werkgever had namelijk wél verweer gevoerd tegen toekenning van de verhoging en expliciet om matiging tot nihil verzocht. Daarbij wees zij erop dat de werknemer als zzp’er een hoger tarief ontving dan hij als werknemer zou hebben verdiend. De matiging maakte dus gewoon deel uit van het partijdebat. Van een “ontoelaatbare verrassingsbeslissing” was volgens de AG geen sprake.
De wettelijke verhoging onder druk
Interessant is dat de AG een ontwikkeling signaleert die verder reikt dan deze zaak. Rechters lijken de wettelijke verhoging steeds vaker “naar billijkheid” vast te stellen, in plaats van alleen in uitzonderlijke gevallen te matigen. Dat schuurt met het boetekarakter van de regeling. Toch stelt de Hoge Raad geen hoge eisen aan de motivering van matiging. Het is een feitelijk oordeel, en cassatie biedt daarom weinig ruimte om dat te corrigeren.
Matiging van de wettelijke verhoging van 50%
Hoewel de Hoge Raad zelf geen inhoudelijk oordeel geeft in deze zaak, is de conclusie van de AG waardevol voor de praktijk. Met name de volgende observaties lijken nuttig:
- Matiging van de wettelijke verhoging blijft een discretionaire bevoegdheid, maar moet wel worden gebaseerd op feiten die in het dossier liggen. Zonder feitelijke onderbouwing kan de rechter niet matigen.
- Partijen moeten alert zijn: wie matiging wil, moet tijdig en expliciet verweer voeren. Dat betekent: concreet stellen waarom toekenning van de verhoging onredelijk zou zijn en welke omstandigheden dat onderbouwen.
- Schijnzelfstandigheid blijft doorwerken in geschillen over loonvorderingen. Zelfs wanneer achteraf wordt vastgesteld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, kunnen omstandigheden uit de eerdere “zzp‑fase” relevant blijven bij de billijkheidstoets.
Contact met een arbeidsrecht advocaat in Amsterdam
Zoek je betrokkenheid en een direct, persoonlijk contact met een ervaren specialist arbeidsrecht in Amsterdam? Bel onze gespecialiseerde advocaten arbeidsrecht en ontslagrecht voor vragen en juridisch advies over loonvorderingen en de wettelijke verhoging.