UWV en re-integratiebedrijf aansprakelijk voor schade bij niet-passende functie

avatar

Automonteur/brandwacht

Nadat de werknemer was uitgevallen voor zijn werkzaamheden als automonteur, ontving hij een WAO uitkering. Bij een herbeoordeling meende het UWV dat de werknemer voldoende duurzaam benutbare mogelijkheden had voor het verrichten van gangbare arbeid volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Daarbij werd de mate van arbeidsongeschiktheid verminderd naar 65-80%. Het UWV verzocht een re-integratiebedrijf, Agens, om de werknemer naar passend werk te begeleiden. Daarbij is gewezen op de opleiding/functie van brandwacht. UWV was daarmee akkoord. De werknemer trad bij G4S als brandwacht in dienst, waar hij opnieuw is uitgevallen en weer 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard.

Rechtbank

De rechtbank oordeelde in eerste instantie dat het UWV en Agens hun zorgplicht hebben geschonden en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de werknemer als gevolg van dit onzorgvuldig handelen heeft geleden. De schade werd begroot op € 11.311,13.

Hof

In hoger beroep vorderde de werknemer € 33.334,– aan materiële schade, € 25.000,– aan immateriële schade en € 6.340,27 aan kosten medische expertise.

Inkomensschade

Het hof oordeelde dat de schade een voorzienbaar gevolg is en ‘in beginsel ruim moet worden toegerekend aan de dader’, zodat ook de moeilijkheden die de werknemer ondervindt als hij geen werk kan vinden, voor rekening van de daders moeten komen:

‘Nu niets er op wijst dat de causale keten tot op heden is verbroken, acht het hof het – mede gelet op de leeftijd en het opleidingsniveau van [appellant], alsmede de lange duur van zijn arbeidsongeschiktheid en de aard en ernst van zijn bestaande klachten en beperkingen – redelijkerwijs niet te verwachten dat dit voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd alsnog zal gebeuren’.

Letselschadeberekening

Om die reden stelde het hof de werknemer in de gelegenheid om zijn tot zijn pensioengerechtigde geleden inkomensschade door middel van een letselschadeberekening te onderbouwen. Ook moest de werknemer aangeven of hij van zijn ex-werkgever een vergoeding had ontvangen. Het smartengeld bepaalde het Hof op  € 2.000,–.

Verhoging eis

Uit een uitspraak van Rechtbank Rotterdam, gepubliceerd op 4 juni 2013, tussen Agens en de ex-werkgever, valt af te leiden dat de werknemer inderdaad een letselschadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade in het geding heeft gebracht, waarin de inkomensschade (verlies van arbeidsvermogen en pensioenschade) is begroot op € 390.999,00 en de kosten van medische (psychologische) behandeling op € 3.222,00. Daarmee verhoogde de werknemer tevens zijn eis aanzienlijk.

Exibitieplicht in kort geding

Op grond van artikel 843a Rv kan de partij met een ‘rechtmatig belang’, inzage, afschrift or uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden. Om die reden eiste Agens van de ex-werkgever in dit kort geding overlegging van het gehele personeelsdossier van de werknemer. De rechter overwoog dat ‘voldoende gebleken is dat Agens spoedeisend belang heeft bij haar vordering nu zij mogelijk binnen afzienbare tijd in de procedure bij het Gerechtshof ‘s-Gravenhage verweer zal moeten voeren tegen de (omvang van de) vordering van de werknemer’.

Medische gegevens

Dat gold echter niet voor de medische stukken:

‘Bij toewijzing van de gevorderde afgifte van de medische bescheiden dient dan ook de nodige terughoudendheid in acht te worden genomen. Dit noopt ertoe dat naar voorlopig oordeel het belang van [A] bij geheimhouding van zijn medische stukken in de gegeven omstandigheden dient te prevaleren boven de belangen van Agens bij afgifte van de medische stukken’.

Conclusie

Uit deze uitspraak blijkt hoe belangrijk het is om gestelde schade (met een deskundigenrapport) te onderbouwen. Tevens blijkt dat niet altijd alle relevante bescheiden waar in een procedure om wordt verzocht, moeten worden afgegeven.

Call Now Button
advocaat amsterdam