Gezagsbeëindigende maatregel

avatar

gezag-advocaat-amsterdam
Verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel

Onze advocaat jeugdrecht te Amsterdam heeft ruime ervaring met de gezagsbeëindigende maatregel (artikel 1:266 BW) zoals deze met regelmaat wordt verzocht door Bureau Jeugdzorg. Wat kunt u tegen gezagsbeëindiging, waarbij u als ouder uit het gezag wordt ontheven, ondernemen? Bij de rechtbank leek een trend te ontstaan tot toewijzing van het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel door Bureau Jeugdzorg (tegenwoordig William Schrikker, Jeugdbescherming, Leger des Heils) enkel al indien er sprake was van een uithuisplaatsing die twee jaar of langer had geduurd.

Raad voor de Kinderbescherming

Wordt na een uithuisplaatsing van twee jaar, in het kader van een ondertoezichtstelling, door de Gecertificeerde Instelling om verlenging verzocht, dan moet de Raad de kinderrechter adviseren over dit verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. De Raad weegt daarbij af in hoeverre hulpverlening binnen een voor het kind aanvaardbare termijn tijdens de ondertoezichtstelling het beoogde resultaat kan hebben of dat dit ook zonder ondertoezichtstelling bereikt kan worden, dan wel dat een gezagsbeëindigende maatregel nodig is (artikel BW 1:265j 3e lid).

Zie hiervoor het Protocol Beschermingstaken van de Raad voor de Kinderbescherming. (https://www.kinderbescherming.nl/Images/protocol-beschermingstaken-2015_tcm103-600265.pdf).

Rechtspraak

Het achterliggende idee hiervan is dat het voor de minderjarige duidelijk moet worden waar het perspectief ligt zodat hij of zij zich kan gaan hechten in het pleeggezin. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft hierover recent in haar uitspraak  van 14 juni 2016 het navolgende gesteld;

Beëindiging gezag

r.o. 5.5

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
  2. de ouder het gezag misbruikt.

r.o. 5.6

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

r.o. 5.7

De in artikel 1:266 lid 1 onderdeel a BW vermelde grond voor de maatregel tot gezagsbeëindiging is afgestemd op die voor de ondertoezichtstelling. Zij vormen elkaars spiegelbeeld. Indien duidelijk is dat de ouders niet (weer) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, kan de rechter het gezag van de ouders beëindigen. De ondertoezichtstelling daarentegen kan alleen worden uitgesproken indien de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders wel in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen voormelde termijn (weer) te kunnen dragen. Volgens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, nr. 3, p. 9) zal het bij een uithuisplaatsing die langer duurt, steeds lastiger worden te motiveren waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) kunnen dragen. Verlengingen van een ondertoezichtstelling zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouders zijn derhalve niet meer mogelijk, aldus de memorie.

r.o. 5.8

Volgens voormelde memorie van toelichting (p. 34) is bij de maatregel tot gezagsbeëindiging, net als bij die van de ondertoezichtstelling, het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling, over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich, aldus de wetgever, dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk, precieze termijnen zijn niet te geven. Wel kunnen volgens de wetgever de volgende factoren worden genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige, zoals [de minderjarige1] , in een pleeggezin is geplaatst:

het pleegkind moet zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind;

als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel;

in die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend;

de enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag.

Hechtingsfactor

Bij de gezagsbeëindigende maatregel speelt de hechtingsfactor van de minderjarige een grote rol. Wat echter dikwijls wordt vergeten is dat een gezagsbeëindigende maatregel ook na twee jaar niet altijd noodzakelijk hoeft te zijn om de minderjarige zodanig te laten opgroeien dat de minderjarige niet in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd.

Artikel 1:266 van het Burgerlijk wetboek bepaalt namelijk dat de rechtbank het gezag kan beëindigen indien;

  • Een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig bedreigd wordt, en;
  • De ouder niet de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding in staat is te dragen;
  • Binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of;
  • De ouder het gezag misbruikt.

Het enkele gegeven dat de minderjarige reeds twee jaar of langer uit huis is geplaatst betekent echter niet altijd direct dat het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel wordt toegewezen. Het moet in het belang van de minderjarige zijn en voorts moeten die hierboven omschreven situaties aan de orde zijn. Het is voor ouders een zeer ingrijpende maatregel die vanzelfsprekend een behoorlijke motivering behoeft.

Touwtrekken

Inmiddels heeft de rechtbank ook enkele uitspraken gedaan waaruit blijkt dat er kritischer wordt gekeken naar het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel en de rechtbank van belang acht in hoeverre de ouders niet langer “trekken” aan de minderjarige. De rechtbank Overijssel overwoog in haar uitspraak d.d. 8 mei 2015 dat een gezagsbeëindigende maatregel niet volgt indien er sprake is van een ouder die;

  • Duurzaam en consistent instemt met de plaatsing;
  • Niet “trekt” aan de minderjarigen;
  • Die op constructieve wijze met de jeugdbeschermer, de pleegouders en de pleegzorg meewerkt,
  • Die haar gezag niet misbruikt en;
  • Voortdurend goed bereikbaar is voor de jeugdbeschermer en pleegouders.

gezag-advocaat-amsterdamContact met advocaat jeugdrecht te Amsterdam

Of deze verzoeken nu wel of niet afkomstig zijn van Bureau Jeugdzorg, onze advocaat jeugdrecht te Amsterdam zal u op deskundige wijze bijstand verlenen. Onze advocaat jeugdrecht zal u uitgebreid kunnen adviseren over hoe een gezagsbeëindigende maatregel kan worden afgewend. Mocht het toch uitmonden in een procedure dan kunt u van ons deskundige en toegewijde bijstand verwachten.

Indien u het wel eens bent met de uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling maar u vindt gezagsbeëindiging te vergaand en onnodig neem dan contact op met onze gespecialiseerde advocaat jeugdrecht te Amsterdam.

error: copyright WS Advocaten Amsterdam
advocaat amsterdam