Lage vergoeding voor werknemer die ontbinding vraagt

avatar

In de eerste procedure was de arbeidsovereenkomst door de rechter ontbonden en was aan de werknemer een vergoeding toegekend van € 105.000,00 bruto. Voordat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met deze vergoeding werd uitgesproken, had de rechter de werkgever een termijn gegeven waarbinnen deze het ontbindingsverzoek alsnog kon intrekken (art. 7:685 lid 9 BW).

Nadat de werkgever haar verzoek had ingetrokken, diende de werknemer vervolgens een verzoek tot ontbinding in wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

De werkgever voerde aan dat zij zich serieus had ingespannen om de nadelige gevolgen die voor de werknemer waren ontstaan op te heffen en de arbeidsverhouding te herstellen. Daartoe werd de medewerker in het archief te werk gesteld.

Terugkeer in zijn eigen functie

De rechter overwoog: ‘Nu [verzoeker] zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst nastreeft, dient zijn verzoek om een vergoeding anders te worden beoordeeld dan wanneer het initiatief voor de ontbinding van WEA zou zijn uitgegaan. In zoverre is thans dus sprake van een andere situatie dan die waarin de kantonrechter eerder de ontbinding heeft uitgesproken met toekenning van een vergoeding aan [verzoeker]. Dit geldt temeer nu gebleken is dat WEA na de vorige mondelinge behandeling en nadat de kantonrechter op haar verzoek de arbeidsovereenkomst had ontbonden, ertoe is overgegaan [verzoeker] weer in staat te stellen terug te keren in zijn eigen functie’.

De kantonrechter meende verder dat de werkgever de werknemer hierdoor in staat heeft gesteld zijn eigen functie weer te gaan uitoefenen. Doordat de verhouding met zijn collega’s was verstoord, waren de opgedragen archief- en scanwerkzaamheden redelijk.

Mediation

Voorts had de werknemer de deur naar oplossing van het conflict via mediation niet op slot moeten doen. De werkgever werd verweten dat het gestelde disfunctioneren nooit voldoende helder is gemaakt aan de werknemer, laat staan dat hem een verbetertraject is aangeboden.

Alle omstandigheden tegen elkaar afwegende is de kantonrechter van oordeel dat beide partijen een verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie, maar de werkgever het meest.

‘Hoewel [verzoeker] thans zelf het verzoek heeft ingediend, is de kantonrechter daarom van oordeel dat [verzoeker] wel een vergoeding toekomt. Die vergoeding wordt aanzienlijk gematigd, nu het [verzoeker] zelf is die zijn dienstverband wenst te beëindigen. Alle genoemde feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegende is de kantonrechter van oordeel dat een vergoeding van € 45.000,00 bruto het meeste recht doet aan de situatie’.

Conclusie

Als een werkgever tot intrekking van een ontbindingsverzoek besluit, kan de werknemer alsnog zelf een ontbindingsverzoek indienen. In dat geval zal de kantonrechter de gang van zaken na de intrekking van het eerste verzoek kritisch beoordelen. Uit deze uitspraak blijkt echter tevens dat de rechter zo mogelijk nog kritischer is naar de werknemer zelf, omdat deze het verzoek heeft ingediend. In de optiek van de rechter zou de werknemer die zelf om ontbinding vraagt, alleen in uitzonderingsgevallen recht op vergoeding hebben. Deze is dus gewaarschuwd.

Call Now Button
error: copyright WS Advocaten Amsterdam
advocaat amsterdam